maandag 30 januari 2017


Poep aan mijn schoen                                                 

Striptekenaar Jan Kruis is 19 januari jongstleden overleden. Waarom ik daar nu opeens aan denk? Omdat ik altijd dacht, dat het met de hondenpoep in onze gemeente best meevalt. Maar donderdag speelde het lot een spelletje met me. Mijn zool was nog niet schoongemaakt of tijdens de volgende wandeling met onze viervoeter was het gelijk weer foute boel. Niet dat het de grote boodschap van mijn eigen hond betrof. Buitengewoon kieskeurig als zij is, legt ze hem onder de struiken of diep langs een sloot, doorgaans niet de plaatsen waar je gemakkelijk doorheen banjert. Bij de tweede keer dat ik dus ontdekte – zoals mijn moeder altijd zei – “dat ik in het geluk getrapt had”, moest ik denken aan Jan Kruis. Was het niet het vriendje van één van zijn kinderen dat altijd “Jeroen, poep aan je schoen” meekreeg? Nu liet ik het volgen op: “Giselle, stomme oen”, daar ik pas achter mijn computer plotseling róók dat ik dit “geluk” op de een of andere manier níet kwijt was… Vreemd, want ik had vroeg in de middag mijn beide zolen toch superschoon geboend?

Onhandig borstelend boven de plee realiseerde ik me, dat we het alledaagse leven toch beter, net als wijlen Jan Kruis, vol humor en zelfreflectie zouden moeten bekijken. Even nam ik dit minitafereeltje onder de loep, zoals hij dat zou doen. Zoiets relativeert enorm. Dus vandaag gingen Hondlief en ik weer vrolijk flink in de benen, dit keer bedacht op smurrie. De zon scheen, de vorst zat nog in de lucht: tijd voor een wandeling naar Bergen via het bos. Ligt het nu aan mij? Of staat de modus van mijn onderbewustzijn als een soort Wensenmagazijn à la mijn dierbare oud-collega-columnist Josje de Klerk nog steeds aan op: “poep aan mijn schoen”? De hondenbelasting is nog niet afgeschaft, of verdorie – het eerste drukwerk van andermans hond ligt al op mijn pad. Het was nog redelijk gemakkelijk onder het struweel te schoppen, iets wat ik in zo’n geval doe. Schoenpunt even schoonvegen aan een graspol en hup, weer verder. Vervolgens zie ik, dat het voetbalveld tegenover de Teun de Jagerschool bevuild is. Daar wordt door de jeugd gesport, dus dan vind ik dat wij, hondenbezitters, verplicht zijn ervoor te zorgen dat kinderen hier niet door ándermans nalatigheid iets kunnen oplopen. Het is zo eenvoudig een paar zakjes bij je te stoppen, dus: inpakken die shit. Lastiger is het dit vrachtje te lossen. In Schoorl heerst een ernstige vuilnisbakkenschaarste. Maar vooruit, zwaar is het niet, dus zit er niets anders op het voorlopig mee te nemen.

Bergen-Centrum. De stoep tegenover “Hotel de Heerlijkheid”. Oeps. Alweer zowat een uitglijder. Wat heb ik toch? Ik staar naar een vers setje uitwerpselen. En natuurlijk heb ik nu geen poepzakje meer. Het risico lopend dat mijn uiterst hygiënisch te werk gaande zwarte schicht zou worden aangezien als de schuldige stoeppoeper loop ik noodgedwongen door. Vreemd eigenlijk, dat in Schoorl en Bergen aan Zee zakjes voor dit doel hangen, maar dat ze in geen velden of wegen te bekennen zijn, als de nood het hoogst is – in het centrum van Bergen. Alsof wij in Schoorl barbaarser zijn… Dit is nog altijd bedoeld, zoals Jan Kruis er wellicht naar zou kijken, trouwens, met humor. Al heb ik voorlopig mijn buik wel vol van de ontlasting van andermans hond. Want hoe dramatisch de politieke staaltjes shit ook zijn op plaatselijk, landelijk en wereldniveau, het blijven toch de kleine dichtbij-huis-dingen waar je dagelijks over struikelt, als je niet uitkijkt. En dáár kunnen we met zijn allen wél iets aan doen, toch? Met overal (grof gezegd) schijt aan hebben, los je per slot echt niets op.

Enige dagen na dit voorgaande geschreven te hebben, pieker ik op de fiets, of ik deze hersenspinsels nu wel moet insturen. Het Dennenlaantje inrijdend via de Noordelijke Nollen zet de late middagzon me opeens vól in het licht. Mijn vrij lange schaduwbeeld fietst verguld recht voor me uit, te bijzonder om niet naar te kijken. Opeens moet ik remmen, mijn adem houd ik in. Vlak voor me zit een dikke, roodkoperen kat. Edgar Allen Poes, de Je-weet-wel-kater van Jan Kruis? Het dier kijkt me aan, geeft me kopjes en verdwijnt dan nuffig, de staart (mét krul) omhoog, in de bosjes, alsof hij zeggen wil: “Pff, mens! Gewoon doen, poep aan je schoen!” Dag Jan Kruis, humorvolle striptekenaar, (levens)kunstenaar, bedankt, rust zacht.   

Anoniem                                                                                 

Het jaar is alweer lekker op dreef. Gelukkig maar, het leven gaat nu eenmaal onder alle omstandigheden gewoon door. Niet dat het altijd zo leuk is. Sommige ontwikkelingen vind ik ronduit zorgwekkend. Dan focus ik me op het goede, een positieve levenshouding brengt ons verder, is mijn stellige overtuiging. En veel loopt gesmeerd, al jaren, zodanig dat we in feite verwend zijn en al struikelen over het minste of geringste dat ons niet zint. Waar mogelijk de humor ervan blijven inzien, is mijn devies.

Met die wetenschap heb ik me in 2016 schrap gezet toen ik gedurende maanden ten minste twee, zo niet meerdere keren per dat gebeld werd door een anonieme beller of misschien wel door meerdere anonieme bellers of via mij volslagen onbekende nummers. Wanneer ik opnam, hoorde ik niets of werd ik in het Engels met een accent toegesproken. Reden om vriendelijk doch beslist op te hangen. En dat, terwijl ik al meerdere keren het gehele menu van het bel-me-niet-register heb doorlopen. Vanaf het moment dat ik me begon te ergeren, zocht ik het mij onbekende nummer op via Google. Tien tegen één dat er waarschuwende berichten over te vinden waren. Best irritant om ten minste 2x per dag gestoord te worden in je werk door de telefoon die je vervolgens moet laten overgaan tot de tegenpartij er klaar mee is. Dat noem ik dus telefoonterreur. Dan verlang ik naar het goede van de oude tijd.

Alsof dat nog niet genoeg was, bleek omstreeks september dat het e-mailadres, dat gekoppeld is aan mijn website, gekaapt is en ja, dát kun je dus niet uitzetten. Zo ontvang ik de hele dag door berichten van mij onbekende zielen met allerlei exotische namen, via mijn aan mijn eigennaam gebonden e-mailadres. Mijn mailbox stroomt dus over en het vervelende is, dat je toch al die berichten snel even moet scannen, want er kan iemand werkelijk informatie bij je willen opvragen over je boeken of werkzaamheden. Dat kost tijd. Ik vermoed dat het om één en dezelfde persoon gaat die mijn adres verbindt aan honderden nepbedrijven en/of zogenaamde financiële hulpverleners, die wel allemaal gemeen hebben dat ze mij willen verleiden een link te openen, natuurlijk met allerlei gevolgen van dien. Een paar keer per dag, als ik mijn aandacht dien te richten op het verwijderen van die berichten, verlang ik dus naar ál het goede van de oude tijd. Het kost me soms alles bij elkaar een uur. Dat is diefstal!

Onlangs bekeek ik toch eens wat mij zoal via mijn info@adres werd aangeboden. Van oogdruppels tot houtbewerkingsprojecten, een haaientank om binnen een week mijn vet mee te verbranden tot mijn gewenste gewicht, een wonder-anti-obesitasdrankje, dan wel iets om op eenvoudige wijze mijn batterijen te vernieuwen. Nu kon ik in die periode wel wat extra energie gebruiken, alleen al door de immense nonsens die de revue passeerde. Zouden er nu werkelijk mensen zijn die denken dat anderen hier behoefte aan hebben? Dan zwijg ik nog over de seksualiteit bevorderende zooi die me werd aangeboden, echt heren, dingen die ik u met de beste wil van de wereld niet zou willen aandoen, maar die me doet vermoeden dat wereldprobleem nummer één toch wel te maken heeft met erectieproblemen. En alles in dat Engels: “How my ex would crawl back to me” (Viviana), “How my husband would be hard all night” (Mildred) – dat bedoel ik dus, heren, die Mildred! Je moet er toch niet aan denken! – of, ook leuk getoonzet: “How to get him a stiffy” (Kelly) of “How to get your husband’s equipment better” (Jayden). Tragisch! In meerdere opzichten, als u begrijpt wat ik bedoel. Ook hier ben ik helemaal klaar mee. Het valt niet meer te ontkennen: ik verlang naar die goede oude tijd.

Het positieve? Het schijnt niet te liggen aan mijn al enigszins vorderende leeftijd. Je hoort het brommen bij alle generaties. Nu ben ik dus héél benieuwd wat de techniek voor ons in petto heeft om op eenvoudige wijze te kunnen ontkomen aan de frustraties van anderen die jou daarmee lastig vallen. Eén maatregel hebben wij zelf genomen. We hebben sinds kort een geheim nummer. Nu ben ik zélf een anonieme beller… En opgelet: inmiddels werkt mijn website www.giselle-ecury.nl weer met een contactformulier, info@giselle-ecury.nl is afgesloten.
 
 

Samen op weg in 2017                                                                                        

De klassieker “Alleen op de wereld”, van de auteur Hector Malot, is verfilmd en was te zien op de tv. Onze streekgenote Mieke de Jong werkte mee aan het scenario. Als kind las ik de versie die mijn moeder in 1933 als 10-jarig meisje gekregen en stuk gelezen had. Het is de volledige uitgave met “48 illustratiën van Tj. Bottema en J.W.M. Wins”, uitgebracht door uitgeverij P.D. Bolle te Rotterdam, lees ik, de 19e (!) druk van een nieuwe bewerking door J.M. Bloemink-Lugten en F.H.N. Bloemink. Dat moet Bergenaren aanspreken, want iedereen herinnert zich dokter Lugten, de huisarts, nog wel. Ik doe dat en kan hem nog uittekenen. Zou mevrouw Bloemink een tante van hem geweest zijn?

Naar de televisieafleveringen kon ik niet kijken. Misschien wílde ik er niet naar kijken. Bij het originele verhaal fantaseerde ik eigen beelden. Als ik daaraan terugdenk, zie ik de oude Vitalis zó voor me, hoe hij zich ontfermde over de jongen die alleen was op de wereld. Het kind Remi, de honden die zich bij hen aansloten. Dit heeft er zeker voor gezorgd, dat ik in honden een grenzeloos vertrouwen kreeg en ervan droomde ze zélf te hebben. Een droom die uitkwam, de volgers van mijn columns weten dat. Inmiddels dwaal ik (na 4 labradors) met een zwerfhond langs onze dreven en door ons mooie bos. Nee, die eigen fantasiebeelden wil ik niet loslaten. Het liefste zou ik het boek met de zwaar vergeelde bladzijden weer eens lezen in de Nederlandse taal van toen. 1933, een cruciaal jaar voor de wereldgeschiedenis.

Wie had toen durven denken dat tegenwoordig de naam van de eenzame Remi wel eens wordt gebruikt als scheldwoord? Wellicht zal dit, na deze serie gezien te hebben, níet meer gebeuren. Toch schoot het oneerbiedig door me heen, toen ik onlangs midden op de dag door Bergen wandelde, op de stoep voor de Vanilia-winkel. Zo’n vijf meter vóór me liepen twee veertigers, vriendinnen, zo te zien. Ze waren in gesprek, leken de tegemoetkomende oudere dame te zien, maar weken niet uit: de links lopende vrouw botste met haar schouder flink tegen die van de tengere tegenligger. Au. Het tweetal werd boos, terwijl de dame verschrikt opkeek en er terecht geïrriteerd iets van zei. Het had geen effect. Dus knoopte ik een gesprekje met haar aan. We waren het erover eens: het is onvoorstelbaar dat mensen van alle leeftijden tegenwoordig stug met zijn tweeën naast elkaar blijven doorlopen, met als lichaamstaal: “Ik heb het recht hier te lopen en dat blijf ik doen, zoek jij het zelf maar uit.” Als je dat daadwerkelijk doet zonder uit te wijken, is Leiden in last. Hoe moeilijk kan het zijn even “in te dikken”, zodat er plaats is voor drie of vier? Een vriendelijk contactmoment zal volgen, waarbij alle partijen uitstralen: we zien elkaar, geen probleem, samen komen we er wel! Of zelfs: “Jij mag eerst!” Hoe veel leuker is dit, dan het stuurse doorstampen met een hardhandige aanvaring? Waarom gebeurt dit dan toch zo vaak? Ook mij overkomt het, zelfs in het bos, waarbij ik dan door de tegenliggers soms de blubber in gedwongen word, omdat zij te beroerd zijn hun eigen ritme te doorbreken en me anders platwalsen, omver maaien met hun prikstokken. Nu evalueerden de oudere mevrouw en ik in harmonie met elkaar het gebeurde. We waren het erover eens, dat zelfs fietsers per se naast elkaar moeten blijven rijden als ze inhalen of als er een tegenligger aankomt. Waar zijn de beleefdheidsvormen gebleven? Is het echt de bedoeling dat het recht van de sterkste niet alleen in de jungle geldt, maar ook op de openbare weg van het rijke westen? In een gat als Bergen? En dat jij, als underdog, dan de straat op gedwongen wordt, voor “de leeuwen” geworpen, wanneer stoep of fietspad voor drie personen te smal is? Is dit het nieuwe “gebruik maken van de openbare ruimte”? Dan ken ik leukere manieren, zodat je anderen het gevoel geeft ertoe te doen. Een positieve impuls als oogcontact met passanten, een glimlach, de ander voorrang verlenen op kritieke momenten, heelt de wereld, i.t.t. hotsend en botsend door te hobbelen. Neem dan mijn gedroomde, betrouwbare hond, wanneer we al ballend tegenliggers ontmoeten. “We moeten wachten!” roep ik en zie, ze wijkt uit en houdt haar bal vast tot het tweetal gepasseerd is. Gegarandeerd volgt een big smile. Samen op deze wereld is leuker. De eerste maand van 2017 zit erop. Laten we van de rest mooie maanden maken.
 

Oud op hout: 1933-2017, bijna 85 jaar geleden werd dit boek voor het eerst gelezen...
 

Windmills of your mind                                                                                      

Januari is alweer voorbij. De donkere dagen voor kerstmis liggen vers in het geheugen, mede doordat het weer opeens versomberd is. Mijn moeder werd daar altijd wat weemoedig en melancholiek van. De minder fraaie gebeurtenissen en voorvallen passeerden dan bij haar de revue en ze zuchtte wat vaker. Ja, zo’n heel jaar is dan opeens aan het voorbijgaan en te snel zijn die eerste weken ook vervlogen. Narigheid onthouden mensen vaak beter dan blije gebeurtenissen. Misschien omdat verdriet er op de een of andere manier dieper op inhakt. 

Zelf heb ik veel moeite met onrechtvaardigheid, wellicht omdat hier het lot niet de overhand in heeft. Onrecht vraagt om mensenwerk en vileine timing. Eerlijkheid is een groot goed. Door ón-eerlijkheid kunnen mensen je veel aandoen, vanwege grote ego’s, jaloezie, nijd, of zelfs angst. Of juist uit een gebrek aan compassie, deemoed en onbaatzuchtige liefde. Dat kan veel leed of stress veroorzaken. Terwijl we meestal allemaal zonder erom te vragen sowieso al porties leed krijgen toebedeeld.

Zo heeft zich in onze lieflijke dorpen anno 2016 ook weer genoeg voorgedaan. Dat kan bijna niet anders. Een jaar is lang en dus kan er van alles gebeuren. Soms ben je voordat je het weet verzeild geraakt in een conflict. Hoe mooi zou het zijn wanneer mensen juist in die donkere dagen milder werden, hun (probleem met) macht aan de wilgen zouden hangen, om zo met dat beetje geluk te strooien, waaraan we allemaal behoefte hebben.

Voorlopig hebben in december alleen de blije Pieten rondom Sinterklaas en zijn schimmel volop gestrooid en mijn hond had derhalve het geluk wat klef geregende pepernoten te vinden die zij vrolijk kwispelend van de straat likte. Het principe van gelukkig maken is eigenlijk net zo eenvoudig als in deze alinea omschreven. Soms heb je er totaal geen erg in dat je spontaan iets doet, waar anderen blij van worden, mits je het doet met positieve intenties. Zo werd ik eens erg blij toen ik op een zaterdag langs de mooie molen van Schoorl liep. De wieken waren met vlaggetjes versierd, de nationale driekleur wapperde in de wind en de vrouwelijke molenaarsleerling  zette een taart op de buiten neergezette tafel, waaromheen diverse stoelen stonden. Hier ging duidelijk iets gevierd worden, naar ik later begreep was dat de verjaardag van de meester-molenaar. Maar terwijl ik er alleen maar langsliep raapte ik iets van dat rond draaiende geluk op, want hoe bijzonder is het dat er nog altijd ook jonge mensen zijn die in hun vrije tijd een jarenlange opleiding volgen om onze eeuwenoude monumentale molens in functie te houden? Los van het feit dat de vrolijkheid ervan afspatte, iets waaraan ik juist gedurende donkere dagen behoefte heb.
Dus op de terugweg liep ik er weer langs om nog wat van dat geluk zomaar op te kunnen vangen. Er werd gespeecht, een heel gezelschap luisterde, klapte na afloop om de feestvreugde te verhogen en enkelen zwaaiden ook naar mij, naar zomaar een passant. En ik dacht: sommigen krijgen dan misschien een klap van de molen, maar je kunt er ook wat lichter van worden, alsof de vrijkomende wind jou zoevend even een zetje geeft in de goede richting, op weg naar alweer een nieuw jaar, het zoveelste op rij, 2017, het millennium op drift. Eigenlijk zou iedereen – vooral in deze periode – open moeten staan voor juist de vrolijkheid die soms voor het grijpen ligt. Moeten we zelf niet ook gepavoiseerd en wel door het leven te wieken, net als die molen in feestelijke stand? Alle akkefietjes opvegen, bij het grof vuil zetten en léven? Zijn we het niet verplicht aan alle mensen die ziek zijn, of die een ander tragisch lot moesten ondergaan? Of aan hen die terecht zijn gekomen in ambtelijke molens die niet meer zijn te stuiten omdat de wind uitsluitend geblokkeerd wordt?

Dan liever “the windmills of your mind”, een gouden liedje waarvan ik me de versie van de blinde José Feliciano uit 1969 nog goed herinner: Like a clock whose hands are sweeping past the minutes of its face, and the world is like an apple whirling silently in space, like the circles that you find in the windmills of your mind!
Nu is januari al bijna voorbij. Laten we onze eigen gedachten sturen door af en toe aandacht te hebben voor kleine dingen om te voorkomen dat we met zijn allen doordraaien…  

De Schoorler molen in de zomer
aan het einde van de middag
Deze column verscheen - iets anders van opzet - in december 2016 in het Bergens Nieuwsblad


woensdag 23 november 2016


Made in Schoorl                                                                                         

Bérgen het kunstenaarsdorp is binnen onze gemeente? Grootse scheppers verblijven en creëren echter net zo goed (en gráág) binnen de dorpsgrenzen van het mooie, pure Schoorl. Of deden dat, zoals bijvoorbeeld de onvergetelijke inwoonster Hanny Alders, ons helaas ontvallen in 2010, en de in 2012 overleden auteur J. Bernlef. Beiden schrijvers, omdat ik me bij hen nu eenmaal thuis voel. Heel wat woorden werden hier te boek gesteld, door menig auteur. Diverse andere schone kunstvormen vonden hier tevens het levenslicht.

Onlangs mocht ik volkomen onverwacht een blik werpen in het nieuwe theater dat Schoorl rijk is. Onthoud dit, want anders rijdt u er duizend keer in véél te snel tempo via de Voorweg aan voorbij. Zonde! Even de gemeentekranten in de gaten houden en de haastige spoed doorbreken. Dit theater bevindt zich in de voormalige basisschool de “Oosterkim” en heeft zelfs bij gewoon, vol elektrisch licht iets magisch. Muren vol vlinders, oranje stoelen – echt pluche – en ook nog zodanig opgesteld, dat zelfs de kleinsten een mooi zicht houden op het podium. Gordijnen, belichting. Wat zal een voorstelling daar ons raken...

Drijvende krachten zijn meester-poppenspeler Ila van der Pouw en haar partner Rob Bloemkolk. Schoorlaars. Op dit moment bereiden ze een bijzondere voorstelling voor, maar dat zijn eigenlijk alle producties van Ila. Eén blik op haar website is voldoende om dat te concluderen. Wat deze keer echter zorgt voor extra opwinding is, dat Ila de rechten heeft verworven voor het maken van een theaterstuk rondom “De Grote Vriendelijke Reus”, kortweg “De GVR” naar het meesterwerk van Roald Dahl. Juist. Dé Roald Dahl. En die rechten worden dus echt niet zomaar aan iedereen toegekend. Begrijp me goed: gratis krijg je ze evenmin. Maar met Ila’s talent zal ook deze keer iets worden neergezet, waarover je nog lang kan, mag en wil nadenken en praten, of je nu kind bent of ruimschoots volwassen. Ila heeft nl. al diverse prijzen gewonnen of werd daar tenminste voor genomineerd, ook buiten onze landsgrenzen en buiten Europa. Wat is ze een gewoon aardig mens gebleven! Haar poppen zijn prachtig en meestal zelfgemaakt. Menshoog, levensecht. Op haar website zegt ze daarover: “Om dat voor elkaar te krijgen moet je geloven dat je poppen je werkelijk iets te vertellen hebben. Je moet ze zelf ook geloven.” En zo is het, dit raakt me, zo werkt de creatieve geest, het is herkenbaar voor de meeste kunstenaars binnen elke kunstvorm.

Vandaag houd ik het dicht bij haar, omdat dit stukje anders zou uitpuilen en de kans desondanks groot is, dat ik mensen zal passeren, wat de bedoeling niet is. Wel vind ik het op zijn plaats de werkzaamheden van Rob Bloemkolk niet onvermeld te laten. Misschien herinnert u zich nog zijn messcherpe analyses in zijn columns in het helaas verdwenen blad “Villages”. Hij is in de televisiewereld zeker geen onbekende: onder meer “De Val van Aantjes” (2013) zal u nog in het geheugen liggen. Een juweeltje was ook “Beet” (VPRO Cinema, 2003), een dialoogloze korte film, waar hij het scenario voor schreef met Annemarie van de Mond, binnenkort te zien op het Nederlands Film Festival, als ik het wel heb. Het theater is hem eveneens niet vreemd: “Het mysterie van Villa Fantoom” (2009). En terwijl ik dit stukje schrijf, schijnt hij net weer teruggekomen te zijn van “drie dagen eindregie en twee nachten herschrijven van scènes” voor nieuw en ander werk. Die drukte vraagt om de gok hem mijn artikel niet te laten lezen. Zelfoverschatting? Zou hij het liefst alles herschrijven?  

Via Google lees ik dat de première van “De GVR” plaatsvindt in De Vest in Alkmaar op 25 september, de try-out voor scholen in ons eigen Schoorlse Theater aan De Kim. Jeetje, was ik nog maar leerling… Dan zou ik kunnen zien hoe de Reus onder regie van – ook al zo’n grootheid – Neville Tranter (Amsterdam, sinds 1978) de kleine Sofie uit een weeshuis haalt en meeneemt naar zijn grot, waar duizenden dromen in glazen potjes wachten. Sofie overwint haar angst voor de reus en stapt vol verwondering zijn wereld in, al liggen er ook gevaren op de loer. Ik weet zeker dat Ila van der Pouw iedereen zal betoveren! Enne: alles is made in Schoorl, hè. Stipje op de kaart van Nederland. Groots. Of u het zich even goed wilt realiseren.

Foto: Website Ila van der Pouw
In een andere productie, één met haar poppen, dat is hier goed te zien :-)


Ze hoeven niet altijd mooi te zijn, visioenen. Er zijn veel definities van te vinden via Google. De eenvoudigste verklaring is “droombeeld”. Wat indrukwekkender vind ik “een innerlijk gezicht van profetische of mystieke aard, dat als iets bovennatuurlijks, in een toestand van extase, trance of droom ervaren wordt”. Een andere uitleg voegt daar nog aan toe dat zo’n beeld een boodschap of voorspelling bevat. Iemand die zo vaak ver in de toekomst kon kijken, was de welbekende Franse Nostradamus. Althans, dat zeggen zijn aanhangers. Hij werd geboren in Saint-Rémy de Provence in 1503 en overleed in Salon de Provence in 1566. Langs zijn huis ben ik herhaaldelijk gelopen. Toch indrukwekkend, het geboortehuis van zo’n man over wie eeuwen later nog wordt gesproken en van wie zijn werk van tijd tot tijd opnieuw uitgebracht wordt, vertaald en wel. Hij schreef zijn Profetieën in 1555: de Wereldoorlogen, de praktijken van Hitler en Napoleon, het communisme, en zelfs het terrorisme in Europa. Niet mooi dus. En een gevoel van machteloosheid zal hem beslist overvallen hebben.

In Bergen hebben we de afgelopen herfstvakantie heel wat visioenen van veel kunstenaars kunnen bewonderen of gewoon onbevooroordeeld kunnen aanschouwen of ervaren. Een mooi thema, al vond ik veel van de werken die ik zoal zag er niet echt in thuishoren. Maar misschien zal pas over een jaar of over een eeuw blijken, dat het destijds in oktober 2016 weldegelijk ging om echte visioenen.

Zo bleek ik bij het schrijven van mijn roman “Erfdeel” tussen 1995 en 2005 regelmatig in trance verkeerd te hebben. Niet dat ik gedurende tien aaneengesloten jaren aan dit boek werkte. Integendeel. In die periode verhuisde ik zelf 4x en hielp ik mijn moeder 2x verhuizen, werd zij uiteindelijk zeer dement en stierf ze in 2004. Overigens herinner ik me nu opeens dat ik over haar wel eens een echt visioen gehad heb. Het moet 1978 geweest zijn, ik woonde nog op kamers in Den Haag, werkte in het onderwijs en luisterde bij toeval op een vrije middag naar een radioprogramma, dat uitgezonden werd vanuit een verpleeghuis. Plotseling moest ik erg huilen, móest ik mijn moeders stem even horen, dus belde ik haar op. Ze vroeg wat er was. Mijn relaas eindigde ik, wederom in tranen, met de woorden: “Het lijkt me zó verschrikkelijk, dat juist jou zoiets overkomt…” Natuurlijk riep ze uit, dat haar dat helemaal niet ging gebeuren. Toch was het zo, 20 jaar later was het een feit.

Bij bepaalde passages tijdens het schrijven moet ik haast wel af en toe even van de wereld geraakt zijn. Mensen wijzen me soms op fragmenten die ik niet meteen herken. Laatst heb ik daarom toch maar weer eens een boek van mezelf herlezen, een gekke gewaarwording. Want zo’n kleine tien jaar na het schrijven van “Erfdeel” bleek de daarin omschreven dood van de hond van het hoofdpersonage, Carmen, bij toeval enorm overeen te komen met de manier waarop ik onze zwarte Molly in 2014 met behulp van dierenarts Maaike thuis heb moeten laten inslapen. Het was eind juli, niet bepaald de tijd van de vergeet-mij-nieten, toen ik haar as begroef onder een hortensia, de schaduwrijke plaats waarvandaan ze mij het liefste observeerde, wanneer ik onkruid wiedde of blad harkte. In het voorjaar van 2015 kwamen ze rondom haar overal op, dicht op elkaar, de kleine blauwe bloemetjes die me lieten weten wat ik toch al wist: dat ik dit trouwe dier nooit zou kunnen vergeten. Carmen had ze daar denk ik over haar uitgestrooid… Daarnaast is de scène waarin Carmen op Aruba haar geboortehuis terugziet precies gelijk aan mijn eigen ervaring in 2009 bij het weerzien van het huis uit mijn jeugd aldaar. Zodoende heeft de huidige bewoner van binnenuit een prachtige foto van een glas-in-loodraam kunnen maken, die nu prijkt op mijn roman “Glas-in-lood”.  

 

Over die straks ontboste duinen heb ik óók al visioenen gehad. Sindsdien overvalt me de machteloosheid. Want alles ligt toch al vast… Het gaat natuurlijk gewoon dóór of we dat nu willen of niet. Maar verzwakt straks dat losse zand onze zeewering niet ernstig, terwijl het water aan het wassen is? Honderd jaar oude boomwortels houden de boel toch beter “dijkvast”, lijkt mij, dan dat onooglijke, oorspronkelijke duinorchideetje, dat Staatsbosbeheer wil terugkweken? 

https://blogger.googleusercontent.com/img/b/R29vZ2xl/AVvXsEiRWdBcGGIvfUNSFSqwkcKrchl2JW0boWEdiOsfZx36uoWTjJK2CijyIJk4cICPOTSCn84ej77dQuqlt-7fYbBnzU_2QEVjdS893Y7pIt3rn5SyKmbXiG-V9mdiKWk7KWuTse5OTSwhb-I/s320/Herfst+31+okt+7.jpg

 

 

maandag 29 augustus 2016


Ode aan de vriendschap

Ze ontstaan als vanzelf, ongeforceerd en bij toeval. Althans, bij mij is dat zo. Je woont bij elkaar in de buurt, je ouders zijn bevriend, je komt in eenzelfde klas terecht of woont op kamers in hetzelfde huis. Je bent collega’s en ontmoet elkaar ook na het werk. Je verhuist en in het appartementencomplex begint het met een praatje met de buren, een kop thee en een gezamenlijke maaltijd. Je wordt lid van een serviceclub en met een aantal leden houd je voorgoed contact, anderen blijf je volgen en als je ze ziet, deel je iets warms uit die vervlogen tijd. Vrienden voor het leven, een voor een. Ook al neemt de frequentie van je bezoeken af. Vaak noodgedwongen, meestal omdat er nu eenmaal 24 uur in een etmaal zitten en slechts 7 dagen in een week. En mede daardoor verwateren sommige vriendschappen ook. Tot je elkaar weer eens tegenkomt en het is, alsof de tijd totaal heeft stilgestaan. Het is me niet vaak overkomen dat ik na verloop van tijd bedacht, dat we geen aansluiting meer hadden. En als ik zie of ervaar hoe de diverse jeugdvriendinnetjes geworden zijn, dan vind ik het leuke vrouwen. Dat geldt voor zowel degenen die je na jaren weer terugziet, als voor die van de continue vriendschappen. In het eerste geval kan het zijn dat je na lange tijd weer eens bij elkaar aan tafel zit en met elkaar komt tot echte gesprekken en ouderwetse lachbuien. In het tweede geval voelt het als familie. Je hebt elkaars ouders gekend tot aan hun dood, volwassenen die jou iets van de liefde die ze voor jou als kind voelden, nalieten. Het is hoe dan ook in beide gevallen altijd zo dierbaar en vooral zo gemakkelijk.

Iemand zei me eens, dat het leven met de mensen om je heen is als het reizen met een trein: er stappen mensen in en er stappen mensen uit. Sommigen reizen lang mee, sommigen doen een tussenstation aan en gaan jaren een eigen weg, springen dan op een dag wederom aan boord om met jou die reis te vervolgen. Anderen zie je nooit meer terug. Niet erg, vooral niet wanneer de herinneringen prettig zijn. Dan blijven ze op de een of andere manier toch een beetje met je oplopen en dat is mooi. Tenzij het helemaal de bedoeling niet was dat ze voortijdig het eindstation aandeden.

Jammer genoeg komt het voor, dat in jouw wagon door toedoen van anderen sommige passagiers meeliften met wie de bekende “klik” uitblijft. Dat kan best problematisch worden. Nu ga ik eigenlijk altijd met open vizier op stap, altijd nieuwsgierig naar anderen, vooral wanneer ze iets spiegelen dat ik niet goed ken. Dat vind ik een uitdaging, maar ik blijf daarbij trouw aan mezelf. Soms ontstaat er alsnog iets leuks, maar als ik het gevoel krijg nooit goed genoeg te zijn, of wanneer ik aan voorwaarden moet voldoen die niet bij me passen, dan stop ik er tegenwoordig geen energie meer in. In een tuintje met bloemen zie je ook dat sommige planten gaan woekeren. Als mij dat verstikt, mag ik dan weggaan of moet ik het me laten welgevallen? Dat is de vraag, de eeuwige afweging.

Gelukkig. Een immense rij vriendinnen loopt al jaren met me op. Dat ik daarnaast de vriendschappen van mijn ouders mocht overnemen, zie ik als een extra cadeau, dat bijna helemaal is uitgepakt op grond van hun leeftijd, helaas. Zij leerden me de waarde van kameraadschap, iets om dankbaar voor te zijn. Als ik ze allemaal regelmatig zou willen ontmoeten, dan heb ik elke dag iets anders te doen. Vaak laat ik het aankomen op – alweer – dat toeval. Dan pak ik de telefoon, krijg ik 2x geen gehoor en bij de derde is het bingo. Een afspraak is dan snel gemaakt, een gezamenlijk museumbezoek volgt of een dagje in de stad, een lunch of diner bij een van ons, al dan niet met “de mannen”. Het is jammer dat het verkeer zo druk is en vooral dat automobilisten vaak niet aandachtig rijden, zodat ik tegen een lange autorit ben gaan opzien en ik sommige vriendinnen veel te weinig zie. Me bewust van de eindigheid van het leven, omdat ook ik zomaar vanzelf een 60-plusser geworden ben en al van vriendinnen definitief afscheid nemen moest. Het mooie is dat ook zij, net als alle anderen, met me blijven opreizen. Leeftijd bestaat dan niet. Alleen nog Lééf tijd. Herinneringen maken daar wezenlijk deel van uit.

Mijn 8e verjaardag in Bergen, Duinhoeve