donderdag 23 juni 2016


Vriendinnen

Vandaag word ik blij wakker, al hoor ik het buiten letterlijk plenzen van de regen. Het enige voordeel ervan is, dat het goed is voor de tuin en de natuur en dat je voorlopig niet hoeft te sproeien. Er liggen zelfs plassen op de aarde.

Blij ben ik met het prachtige weer van gisteren. Onder de zon reed ik naar Heemstede, waar ik een afspraak had met de oudste en enige nog levende vriendin van mijn moeder, met wie ze de box al deelde. Ik noem haar tante. Ze is altijd lief voor mij en hartelijk. Eigenlijk dacht ik dat ik haar voor haar 93e verjaardag als cadeautje mee uit lunchen zou nemen, maar ze heeft koffie met taart, lunchen doen we later. Zij trakteert “want we hebben daar helemaal niets over afgesproken, hoor!”

Ze ziet er onberispelijk uit in een vlot kraagloos, wijdvallend anno-nu-bloesje en witte lange broek en heeft vlak voor het weggaan nog even haar witte sandalen aangedaan. Op de achterbank ligt haar rollator. Op haar feilloze aanwijzingen (tot voor kort reed ze zelf nog auto) rijd ik ons even later naar “De Wachtkamer” in Vogelenzang, een beeldschoon voormalig stationnetje. Ze heeft me tevoren gewaarschuwd dat er af en toe een trein langsraast, maar “je kunt er heel gezellig buiten zitten en ach, voor je er erg in hebt, is-ie alweer voorbij.” En zo is het. Na de tweede keer hóór ik het niet eens meer. We zijn verdiept in onze gesprekken. Ze stelt gerichte vragen, luistert aandachtig naar mijn antwoorden, slingert er af en toe een grappige opmerking tussendoor zodra dat past en leeft vooral met me mee en ik met haar. “Wat leuk om zo met jou te kunnen praten,” lacht ze opeens. “Daar houd ik van, vooral tijdens de maaltijd.”

Ze leeft mee met haar grote gezin met veel aanhang en is al 16 jaar weduwe, heeft veel hobby’s, deed al lang geleden aan yoga, volgde onlangs nog schrijf-, schilder- en quiltlessen, heeft véél aanloop, geniet van het leven en zette de schouders onder verdriet en tegenslag. Ze leest veel en raadt me het boek aan van een gezondheidsgoeroe – stress vermijden, bewegen moet, plus een gezonde voeding – vertelt enthousiast dat ze enorm geniet van de laatste roman van Thomas Verbogt: “Geweldig, hij gaat zo de diepte in, daar houd ik van, want dan gáát het tenminste ergens over!” En onze gedachten dwalen ook af naar mijn moeder en diens ouders.

Het is eeuwig jammer dat mijn moeder te vroeg dement werd. Ze werd in 1984 weduwe, verhuisde op aanraden van mijn zus en tegen al onze beargumenteerde bezwaren in naar een 4 boerderijen tellend gehucht in Friesland in the middle of nowhere, ver van haar ouder wordende vrienden en kennissen uit Naarden-Bussum en omgeving, die ze vervolgens verschrikkelijk ging missen. Het was er koud en vochtig. Tja. Oudere bomen moet je nooit verplaatsen. Na een jaar of 6 verlangde ze naar meer reuring en zo kwam ze terecht in een van de nieuwste wijken van Amersfoort. Dichterbij haar geliefden. Ze was er gelukkig, maar ondanks al haar inzet sloeg ze niet echt meer aan, kwam niet meer tot bloei, zullen we maar zeggen, de voornoemde metafoor indachtig. Het leek alsof het altijd herfst was, al ging ze de stad in, kreeg ze nieuwe kennissen en zocht ze iedereen op met de trein. Zó ervaar ik haar nog vaak, die blijdschap om een weerzien, als ik moet wachten voor een langs denderende trein achter een gesloten spoorwegovergang. Dan denk ik aan Dordrecht, hoe ik haar ging ophalen, als ze bij me kwam logeren. Maar ze was zichzelf niet meer – dementie gooit álles in de war.

Haar vriendin roept lachend uit dat ze ervan geniet “dat ik zo smakelijk eten kan, wat léúk om naar te kijken!” Met haar deel ik de dingen, die ik mijn moeder had willen vertellen en ik vind de hartelijke aandacht en de erkenning van deze bonus-tante een feestje onder de zon.

Een trein raast langs. Deze heeft mijn moeder helaas gemist. Maar eigenlijk denk ik, dat ze nu gewoon even alle seinen op groen heeft gezet. De Wachtkamer, wat een symboliek.  
Dankbaar ben ik voor deze dag. Zóveel zon en vriendschap. Dat achtergebleven gouden randje rond de wolken van vandaag. Blij weer wakker.

zondag 24 april 2016


De bloemetjes buiten zetten

Op 8 maart jongstleden, De Internationale Dag van de Vrouw, toog ik naar Amsterdam. Het was lang geleden dat ik daar een nacht zou verblijven. En dat ik mijn vriendin Miriam terug zou zien. Een vriendin die ik leerde kennen in Aix en Provence, inmiddels zo’n 22 jaar geleden. Destijds was ik lid van een serviceclub voor vrouwen, de Ladies’ Circle genaamd. Net als Rotary, Lions en Round Table stond “vriendschap” hoog in het vaandel en natuurlijk het verlenen van service. In de regel was dat het steunen van goede doelen. Hetzij financieel, hetzij daadwerkelijk.

De leukste vriendschappen hield ik eraan over. Zoals ook die met de Nederlandse Miriam, destijds bezig een Ladies’ Circle op te richten in Le Puy, midden Frankrijk. Ja, de “linzenstad”. Zij woonde daar al erg lang als echtgenote van haar jeugdliefde. Een Fransman. Zij hebben drie inmiddels volwassen kinderen. En in 1995 bezochten wij beiden de installatie van Ladies’ Circle Aix en Provence. Men had “die Nederlandse” naast mij gezet of omgekeerd: naast haar. Onmiddellijk was er een klik, we lachten de hele avond en bleven dat tot nu toe doen. Voor vriendschap, echte vriendschap, is afstand geen barrière.

Welnu: op die 8e maart had ik met Miriam in Amsterdam afgesproken. Zij is inmiddels bloemist geworden en samen met een aantal andere Franse fleuristes kwam zij in Nederland inkopen doen. De avond zou ik dus niet alleen met haar, maar ook met vier mij onbekende bloemenmannen doorbrengen en nog één bloemenvrouw, Edith. Aan mij de eer een restaurant te kiezen en dat werd een gok. Restaurant Harmsen. Later bekeek ik de website eens goed. Laat het nu toevallig vroeger een bloemenzaak geweest zijn?

Bij een tweede gesprek met een medewerker maakte ik er melding van dat ik zou komen met een tafel vol bloemenmensen. Aanleiding om ons dan maar in de etalage te zetten aan een gezellige grote dis. Dat werd natuurlijk volop gefotografeerd.

Ongelooflijk maar waar: vanaf de eerste minuut hadden we plezier. Het werd de vrolijkste avond die ik in tijden beleefd had. Mijn Frans haperde hier en daar, waardoor ik echt niet alle grappen begreep, maar vanuit je tenen te kunnen lachen met mensen die je amper een paar uur kent, terwijl zij een andere taal gebruiken dan de jouwe, is fenomenaal leuk. Daarnaast gingen de gesprekken ook nog ergens over en werd er met mate gedronken, want de hele club moest de volgende ochtend vroeg opstaan om in Aalsmeer nogmaals op inkooptour te gaan.

Ze brachten me tot aan de deur van mijn hotel, ik werd omhelsd alsof ik niet één, maar zes goede vrienden gedag zei. Dat noem ik nou eens: “de bloemetjes buiten zetten”.  Voor herhaling vatbaar.


Fileleed en bumperkleven                                                                         

Werk bracht mij in februari op ’s Neerlands snelwegen en dreven. Om precies half 10 en om 14.00 uur werd ik op locatie verwacht in diverse steden en dorpen. Aangezien ik aan files een bloedhekel heb en daarin niet een uitzondering zal zijn, besloot ik in diverse hotels te verblijven. Relaxed wakker worden, uitgebreid douchen, ontbijten en binnen hooguit een kwartier aankomen op het gewenste adres. Tussen de middag een korte rit naar de volgende. Om uitgerust de gesprekken te voeren met mensen die tijdens hun militaire diensttijd uitgezonden waren naar oorlogsgebieden en die daar een Posttraumatische Stressstoornis hebben opgelopen. Let op: stoornis, níet, zoals vaak wordt gezegd, een syndroom (i.e. een verzameling van ziektesymptomen), maar dit terzijde. Ik noem het, omdat het in feite een (oorlogs)verwonding is. Door gedurende korte of langere tijd onder extreem hoge druk gestaan te hebben of in machteloze doodsangst verkeerd te hebben, blijven ze ernstige klachten houden. Ze worden zwetend wakker, hebben nachtmerries, herbelevingen. Bij een nieuwe voor hen onveilig aanvoelende situatie krijgen ze hartkloppingen, transpireren ze, worden ze agressief. Ze zijn constant op hun hoede, bang of boos, ontredderd. Geluiden of geuren die horen bij die traumatische gebeurtenis kunnen ook onmiddellijk heftige reacties oproepen. Een uiterst vermoeiende situatie voor de patiënt zelf en voor zijn gezin. Een gesprek met hen aangaan verdient opperste concentratie en is dus naar mijn mening niet te verenigen met een lange vermoeiende filerit vooraf.

Het is me in deze periode opgevallen, dat diverse wegen eigenlijk altijd druk zijn. Dat er heel vaak erg hard gereden en slecht, onaandachtig ingehaald wordt. Het meest onvoorstelbare vind ik, dat mensen bumperkleven en daarmee risico’s lopen voor zichzelf, voor hun eventuele passagiers en zeker ook voor hun medeweggebruikers. Vooral bij regen, wanneer je remweg langer is. Het lijkt mij begrijpelijk dat je afstand houdt en dat je voorganger soms gewoonweg niet harder kán rijden, omdat hij domweg niet dwars door zijn voorganger heen kan denderen. Hij dient zich dus aan te passen aan de rest of je dat nu leuk vindt of niet. Maar nee, dan zit er – op de rechter filestrook – weer zo’n kek wijffie in haar koekblik met haar neus op het stuur vrijwel bovenop jouw bumper te drammen dat je gas moet geven. ‘Schat de situatie eens in,’ zou ik dan willen zeggen,’houd het overzicht!’ Is er vóór jouw voorganger géén ruimte, dan heb je je over te geven aan de flow of kun je misschien beter inhalen. Hoewel je vervolgens een stuk verderop naast elkaar bij een stoplicht staat.

Mijn hotelovernachtingen hebben hun geld dus opgebracht. De A9 kende dramatisch lange files die ik nippend aan een cappuccinootje bij het ontbijt of aan een proseccootje bij mijn avondsalade ontspannen heb mogen omzeilen. Het lijkt me verschrikkelijk tweemaal daags een half uur stil te moeten staan.

Gisteren had ik bij Arnhem mijn laatste gesprek, waar ik alle tijd voor nam. Later besloot mijn TomTom een snellere route voor me te kiezen in verband met de lange avondspits en een file bij Nieuwegein. In het duister gaf ik me over aan het ding. Zo nam ik vanachter beruitenwisserd glas plaatsen (of contouren daarvan) waar, die ik tot nu toe links had laten liggen. Bunnik. Grote delen van Utrecht. Oud Zuilen. Om vervolgens eindelijk weer terecht te komen op de A2. Wat een zegen vrijwel altijd thuis te kunnen werken!

PTSS’ers heb ik veel beter dan ooit begrepen. ZZP’ers ook. Zonder met ze in gesprek te gaan. Al was het juist wél met elkaar in gesprek gaan een onvergetelijk mooie, intense en vaak ontroerende ervaring. Hulde aan deze veteranen die allemaal de liefde en toewijding van hun gezin tot in het diepst van hun ziel mochten voelen. Fileleed is daar niets bij. De wereld kent ongekend sterke mensen die weten wat onvoorwaardelijk houden van is in goede en slechte tijden. Zij zijn deels de TomTom van de PTSS’er, die zich aan hen durft over te geven en die hen soms omleidt bij obstakels. Voor deze gezinnen neem ik mijn pet diep, érg diep af. 
 
             

Pleister op de wond                                                                        

Vrijdagochtend. Normaal gesproken schrijf ik dan mijn column voor Het Bergens Nieuwsblad. Maar mijn hoofd staat er niet naar. Zaterdag ga ik naar een begrafenis van iemand die me heel dierbaar was en die in vroegere jaren zeer belangrijk geweest is in het leven van mijn in 2004 overleden moeder. Ik wil zelf voor hem een bloemstuk maken, er zijn nog wat andere verplichtingen en de afspraak bij mijn kapster wil ik niet alwéér afzeggen.

Terwijl zij mijn haren wast, stel ik me voor dat ze ook mijn gedachten uitspoelt. Die zijn overal en nergens. Daarom lukt het zeker niet. Ze manoeuvreren zich, wars van shampoo en conditioner, gewoon overal tussendoor. Ze zijn even bij die bloemen – wit met blauwpaars, vind ik. Bij de rit richting Breda – bijtijds weg! Bij andere vriendinnen die in een moeilijke fase van hun leven verkeren of die juist net een kerngezond kleinkind kregen. Als de dag van gisteren herinner ik me, hoe ze hun eigen baby voor het eerst aan mij toonden. De jaren, hoe bewust doorleefd dan ook, razen voort. 

Zo is het plotseling dan toch zaterdag geworden en ben ik onderweg naar die begrafenis. Mijn TomTom vertelt mij exact hoe ik rijden moet. Ondertussen kijk ik naar de weg, naar het verkeer dat op dit tijdstip betrekkelijk kalm aan mij voorbij glijdt, zodat er ruimte is voor mijmeringen. Mijn auto voert me langs plaatsnamen waar veel herinneringen liggen, omdat ik op diverse plekken in ons land heb gewoond. Regelmatig doe ik ze aan, vanwege allerlei vriendschappen. De waarde daarvan bracht mijn moeder mij al vroeg bij. Hoe je ze ondanks de afstand onderhoudt, zodat ze een levenlang meegaan. Met aandacht. Aandacht voor elkaar, voor de gebeurtenissen die over en weer plaatsvinden. Met liefde, steeds méér liefde. Want van lieverlee wordt vriendschap verwantschap. Je hebt elkaars vader en moeder gekend, die zo nodig een pleister plakten op de knie die je in hun tuin stukviel. Met een kusje toe. Troostrijk. Sommigen zagen me als een bonuskind. Nauwelijks lasten, want na verloop van tijd ging ze weer naar huis, u kent dat misschien. Zelf vind ik het dierbaar wanneer wij in elkaar soms onverwacht iets terugzien van onze ouders. Zelfs al zijn het trekjes, waar je vroeger samen hard om moest lachen, terwijl je uitriep: “Zo word ik nooit, hoor!” Grappig, hoe de geschiedenis zich verpletterend kan herhalen. 

Terwijl ik achtereenvolgens de Lek, de Bovenmerwede en de Bergsche Maas overbrug – het lijkt een wereldreis – zijn er veel vriendinnen en gebeurtenissen mijn revue gepasseerd. Veel landschappen ook, waarvan ik de schoonheid heb mogen ondervinden. Dat goudgeel van het bloeiende koolzaad in Zuid-Holland, de vrolijk dartelende lammeren in het sappige voorjaarsgras van vele weilanden, de uiterwaarden. Zwemmen met mijn drie labradors bij het stille strandje van de rivier tussen Sleeuwijk en Werkendam. Het onnoemelijke schouwspel van de ondergaande zon, weerspiegeld in dat gestaag voort stromende water. Het knotten van wilgen in eindeloos berijpte landerijen. Zoveel rijkdom in alleen maar één – naar ik hoop nog heel lang onvolbracht – mensenleven.

En dan: een laatste stoplicht, een saaie woonwijk, de prachtige kerk waar ik moet zijn in het hier en nu. Hoe dierbaar is het dat je het vertrouwen wint van de vrienden van je ouders, zodat ze je onvoorwaardelijk omarmen. Dat je die vriendschappen zomaar mag overnemen en cadeau krijgt, opdat je postuum leert losse verbanden te begrijpen.

Tot ten slotte ook van deze vriend het laatste uur geslagen heeft en je in de stoet meeloopt naar zijn graf. In zijn hart rusten onbetwist duizenden herinneringen, een schatkist vol. Daartussen glinstert wat van degene uit wie ik voortkwam. Hoe wonderlijk dat iets van mij zich daar tegenaan mag schurken. Dat maakt de dood opeens een beetje minder pijnlijk. Hoe nabij kun je elkaar zijn? Door er zo naar te kijken is dit misschien een verse pleister op de wond? Wellicht ook voor u... Van harte wens ik iedereen, die het nodig heeft, troost toe.
 
 

vrijdag 29 januari 2016


Brave hond                                                                                                             

Het jaar is nog maar net begonnen of we zijn alweer opgeschrikt door heel wat geweld. Laat ik het dichtbij huis houden. Zo werd ik gewaarschuwd door een vriendin mijn hond nooit alleen voor een winkel te laten zitten. Dat doe ik sowieso al zelden en alleen als ik door het winkelraam kan zien of het goed gaat met mijn viervoeter. Nooit bij een supermarkt. Er blijven niet veel winkels over waar het wel kan. Wanneer zij niet mee naar binnen mag, sla ik desbetreffende zaak over. De veiligheid van mijn hond gaat mij vóór alles. Ze zou kunnen schrikken, haar riem doorbijten en de straat oversteken. Er kan een agressieve hond op haar afspringen, of een onverlaat kan haar bij wijze van grap loslaten. Dat er zelfs in het zoete Bergen iemand was die zo’n vastzittende hond dusdanig heeft toegetakeld, dat het dier moest sterven, dát had ik in mijn stoutste dromen niet eens durven vermoeden. Hoe overleef je dat als baas? Oprecht gemeend wens ik hem sterkte.

Het bevestigde mijn gevoelens, waar niet iedereen in meegaat. Overdreven, wat kan er nu gebeuren, onzin, overbezorgd. Alles heb ik langs horen komen. Maar laten we wel zijn: er lopen soms wonderlijke lieden rond. Zo laat ik zelfs mijn hond zelden in mijn auto achter en áls ik dat doe, uitsluitend kort. Zo’n geopend raamkiertje kan nl. de fantasie van zieke geesten op een rare manier prikkelen, daar geef ik geen voorbeelden van. Mezelf zou ik het nooit vergeven, wanneer mijn hond daarvan – en van mijn gemakzucht – de dupe zou worden.

 Ja, het kan zijn dat je daardoor eerst je huisdier moet uitlaten en daarna op de fiets moet stappen voor de boodschappen. En ja, daar wordt je leven iets gecompliceerder van. Hoewel: enige hinder heb ik er nooit echt van ondervonden. Elk nadeel heeft zijn voordeel. Wat extra lichaamsbeweging, meer buitenlucht en daarmee toch even een gevoel van vrijheid, met de wind door je haren en een frisse neus. Met zomaar wat meer energie om je werk voort te zetten, of een gratis inspiratiemoment. Je kunt kiezen anders te kijken naar bezigheden.

Alles en iedereen die aan jouw verantwoordelijkheid is overgeleverd, verdient zorg, aandacht en liefde. Voor mij gaat dat misschien verder dan voor een ander. Zo vind ik het onbegrijpelijk dat mensen hard langs een drukke weg fietsen met hun huisdier daar achteraan. Los of aan de riem. Een hond blijft een wolfje. Hij kan opeens afgeleid zijn, iets anders doen dan jij verwacht en oversteken. Daarnaast vind ik het vreselijk om te zien, hoe zo’n dier soms poepend en wel aan zijn riem wordt meegesleurd door een snel fietsende baas. En heb je er ooit bij stilgestaan, dat bij ’s zomerse hitte het wegdek bloedheet aan zijn zooltjes kan zijn? Dat elke hond überhaupt wel wat eelt onder de voeten moet hebben en wat spieren rondom de botten om dit zonder pardon te kunnen? Dat hij dus sowieso al heel wat kilometers achter de hielen moet hebben, voordat hij zoiets kán? Ooit heb ik een stel geconfronteerd met de bloedende voeten van hun puppy (!) die zo mee op dagtocht was geweest. Niet alleen die eeltkussentjes bloedden, mijn hart deed dat ook. Het uitlaten van je trouwste vriend wordt er voor hem niet leuker op als hij niet kan scharrelen en snuffelen, vind ik. Hij moet even languit kunnen liggen in het gras, moet kennismaken met andere honden, ermee spelen of ze bewust links laten liggen, zolang het maar zijn keuze is, in vrijheid. Dát verdient hij, na wellicht uren alleen geweest te zijn, omdat er nu eenmaal ook gewerkt moet worden. Dierenartsen stimuleren dat fietsen en waaien mijn bezwaren weg, waarschijnlijk in het kader van de noodzakelijke lichaamsbeweging – beter iets dan niets, mee eens – maar toch. Ik blijf erbij. Een hond vraagt tijd en inzet. Dan is het ook het meest dankbare, het grootste geluk. De onbaatzuchtige vriendschap en trouw die je jarenlang retour krijgt. Tot je op een kwade dag de grootste daad van liefde moet laten uitvoeren, als hij opgewandeld en uitgespeeld is, oud en af. Dat moeilijke moment van loslaten, waar velen vaak te lang mee wachten, zodat leven lijden wordt. Dát moet je voor zijn. Dan beleef je die ongelooflijke overgave die er zijn kan tussen baas en dier, kan hij zich voor eeuwig in rust ingraven in jouw hart, kwispelend door je dromen heen wandelen. Zoals nu de hond van een dierbare vriendin doet met wie ik de afgelopen jaren mocht oplopen. Altijd braaf – en gelukkig nooit geconfronteerd met geweld.

Molly in haar toptijd - wat een brave waakse hond!
Voor altijd in mijn hart...

dinsdag 26 januari 2016


Je kunt toch wel dansen, al dans je niet met de prins     

Deze uitdrukking gebruikte mijn moeder graag, misschien omdat ze zelf was opgegroeid in de wereld van dans en ballet en er zo van hield. Elke keer, wanneer ik iets grensverleggends wilde doen, legde ze hem voor mijn voeten: Je kunt toch wel dansen… Eroverheen springend danste ik, al mocht ik, vreemd genoeg, nooit op ballet. Die wereld werd me alleen gegund toen zij en mijn vader me bij mijn geboorte de naam Giselle gaven, hun meest geliefde ballet. Ook namen ze me al op jonge leeftijd mee om het te zien. Maar daar bleef het bij. Dat heeft me niet gefrustreerd.

Het was en blijft bijzonder naar dit sprookje vernoemd te zijn. Met gevoel voor drama en romantiek wérd ik in de loop der tijd meer en meer “Giselle”. En net als bij het boerenmeisje uit dit ballet van Petipa verliep het in de liefde voor mij ook niet altijd naar wens. Lelijk was ik niet. Maar misschien juist daarom waren het niet altijd de oprechtste mannen die mij probeerden te veroveren. Dat heeft me gevormd, mensenkennis gebracht en veel stof tot schrijven, zegt het positieve in me. Een enkele keer echter gebiedt mijn gevoel voor rechtvaardigheid me, dat het me ook tot wanhoop had kunnen brengen. Dan was het me wellicht vergaan als de Giselle uit het gelijknamige ballet, die erachter komt dat de prins haar het hof maakte, terwijl hij uit hoofde van zijn achtergrond haar nooit had kunnen huwen.

Naamgeving is meer dan uitsluitend een formaliteit. Daar ben ik van overtuigd. Een naam vult iets in dat verder gaat. Zo noemde ik eens een schattige labradorpup Banjer. Hij groeide voorspoedig op, maar schuinsmarcheerde de boel bij elkaar, verwekte heel wat puppies en deed alles wat verboden was, bleek me echter ook om de pink van één poot te kunnen winden. Wat een humor en charme, wat een Banjer!

En zo kan ik niet anders doen dan met een tikje weemoed erkennen dat ik zelf in de loop der jaren heel erg een Giselle was en bleef. Dat werd enige jaren geleden toch maar mooi bevestigd toen ik na een interview met ballerina Daniela Cardim voor het Vriendenmagazine van Het Nationale Ballet met haar wachtte bij de lift ergens onder in het gebouw van het Muziektheater. Danser Jozef Varga, die ik een jaar tevoren gezien had als de prachtige en innemende prins in het ballet Giselle, schreed de hoek om en voegde zich bij ons. Het klinkt gek, maar het had iets magisch. Want is het geen waarachtig toeval, dat van alle leden van dit balletgezelschap juist hij op dat moment verscheen? We groetten elkaar.

Je weet niet, wat ik weet, prins Albrecht, dacht ik, terwijl ik nog eens heimelijk naar hem opkeek. Je staat naast Giselle! De lift tilde ons naar de eerste etage. Een korte rit. Als ik iets wilde zeggen, dan moest het nu!

‘Ik heb je natuurlijk herkend, Jozef, als de prins uit Giselle,’ zei ik in het Engels tegen hem. ‘Graag zou ik me aan je voorstellen.’ Even wachtte ik. Hij keek me verrast en licht vragend aan toen we elkaar de hand schudden. ‘Want weet je, ik ben Giselle – de échte Giselle,’ veranderde ik mijn intonatie en gezichtsuitdrukking veelbetekenend. Jozef kleurde licht, lachte en boog even galant zijn hoofd.
 
‘Don’t fall in love,’ zei hij. ‘You’re too sweet to die young!’ We stopten, hij knikte hoffelijk. De liftdeuren schoven haast geruisloos open. En achter mij weer dicht. Mijn moeders geliefde uitdrukking sprong in mijn gedachten op als een duveltje uit zijn doosje. Maar met evenveel gemak walste ik er in mijn voordeel overheen. Ik kon dan misschien niet met hem dansen, maar dit was toch mooi wel de prins! En ik had met hem gesproken en even meegelift…


Herinneringen
De week van de poëzie met als thema "Herinneringen" is begonnen. Laat ik nu aan het ziekbed van mijn demente moeder een hele dichtbundel geschreven hebben vol herinneringen, met de dwingende titel: "terug die tijd" (ik wil hem overleven).
Herinneringen aan het eiland waar we woonden - Aruba - en waar ik geboren ben. Aan het Noord-Hollandse dorp Bergen waar we gingen wonen in 1960. Aan een gedeeld verleden. Aan de mensen die belangrijk waren en die er nu al jaren niet meer zijn: "portretten op de plank", zoals mijn vader, een tante, mijn oma Athmer. Aan een jaar, dat zomaar opeens weer voorbij kan zijn, zonder een wezenlijk gesprek gehad te hebben met dierbare vrienden.
Eigenlijk barst ik van de herinneringen. Vandaag klikte ik min of meer per ongeluk het "In Memoriam" aan, dat ik schreef en voorlas bij de crematie van mijn moeder op 29 september 2004. Mijn poëziebundel was toen nog niet eens in de maak en op die dag openbaarde ik er twee gedichten uit. In het kader van de Week van de poëzie, van alle herinneringen van iedereen en van die aan mijn moeder in het bijzonder, dit gedicht: "Nacht mama".
Omdat het regent en alweer zo donker wordt. Omdat ik Wil J Schipper​ en Sonja Schipper​ voor eeuwig dankbaar ben voor het grafisch ontwerpen en het maken van die eerste uitgave van deze dichtbundel - een dankbare herinnering op zich, omdat we hem gezamenlijk in elkaar draaiden met van die mooie, koperen schroeven. Omdat ik inmiddels al ruim 11 jaar geen "dochter" meer ben. En omdat ik onmetelijk geboft heb met deze moeder, al was het niet altijd gemakkelijk. Dit gedicht schreef ik toen ik haar eens 's avonds bezocht en zij met de medebewoners van het verpleeghuis in haar ochtendjas bij de televisie zat. De woorden ontstonden als vanzelf, in de auto, op weg naar huis.

Nacht mama,
denk je nog
en denk je dan aan mij,
vlak voor de dag wordt
teruggehaald,
het donker daalt,
de rust?
voor alles - uitgeblust -
nog een keer langskomt,
verward, in flarden;
misschien ken je mij
en kun je me dan zien?
Een laatste keer
zoals ik was en blijf
en ben: jouw kind.
Nacht mama,
droom je nog e
n droom je dan van mij?
 
Uit: "terug die tijd", 2005, Conserve / Uitgeverij In de Knipscheer​.
 
 
Mijn moeder met mij in het kraambed, met kraamvisite, Aruba 02-09-1953